Voorbeeld: “Ik kan ook nooit iets goed doen”
Jeroen en Anna zijn al meer dan tien jaar samen. Ze houden van elkaar, maar hun relatie loopt al een tijdje stroef. Anna is een zorgzaam type — altijd bezig met hoe het met Jeroen gaat, of hij lekker in zijn vel zit, of hij zich wel gezien voelt.
Jeroen is stiller. Hij worstelt met werkdruk, twijfels over zichzelf en vermoeidheid. Regelmatig trekt hij zich terug, zit veel op zijn telefoon of vlucht in games. Anna probeert hem telkens weer bij de les te trekken:
– “Gaat het wel echt goed met je?”
– “Zal ik anders een afspraak bij de huisarts voor je maken?”
– “Ik merk dat je niet lekker in je vel zit, je hoeft het niet alleen te doen, hè?”
Ze bedoelt het goed. Maar Jeroen voelt zich beklemd. Op een avond barst hij los:
– “Ik kan ook nooit iets goed doen! Jij denkt zeker dat ik niet voor mezelf kan zorgen!”
Anna schrikt. Ze wilde juist helpen. Ze bedoelde het toch lief?
Toch zegt ze:
– “Sorry. Ik probeerde je alleen maar te helpen.”
Waarop Jeroen zegt:
– “Nou, dat doe je niet. Je maakt het alleen maar erger.”
Wat gebeurt hier?
Anna zit in de Reddersrol: ze ziet dat het niet goed gaat met Jeroen, en neemt verantwoordelijkheid voor zijn welzijn. Vanuit liefde. Zorg. Betrokkenheid.
Maar Jeroen voelt zich daardoor het Slachtoffer: niet gezien in zijn eigen kracht, onder druk gezet, alsof hij niet genoeg is. En op het moment dat hij zich aangevallen voelt, schakelt hij over naar de Aanklager: hij verwijt Anna dat ze hem niet begrijpt.
Anna, gekwetst en verward, voelt zich op haar beurt een beetje slachtoffer: “Wat ik ook doe, het is nooit goed genoeg.” Misschien gaat zij daarna extra haar best doen (weer Redder), of trekt zich juist gekwetst terug (Slachtoffer).
Zo blijft het patroon zichzelf in stand houden.
Wat kun je hiervan leren?
De dramadriehoek ontstaat vaak precies omdat mensen iets goeds proberen te doen — maar daarbij hun eigen grenzen, of die van de ander, uit het oog verliezen.
In dit voorbeeld hielp het Anna en Jeroen om hun communicatiepatroon onder de loep te nemen. In plaats van ‘zorgen voor’ leerde Anna meer te vragen wat Jeroen nodig had. En Jeroen leerde om zijn gevoelens te benoemen zonder te verwijten.
Uiteindelijk ging het gesprek niet meer over wie er gelijk had, maar over wat hen allebei raakte:
– De een voelde zich alleen gelaten.
– De ander voelde zich niet vrij.
Pas toen daar ruimte voor kwam, kon het contact weer echt worden.